Heer Bommel en Tom Poes

De eerste Tom Poes-strip, ‘Avonturen van Tom Poes’, verschijnt vanaf 16 maart 1941 in het dagblad De Telegraaf/Nieuws van de Dag

De stripserie begint als een kinderstrip, voor jeugd vanaf tien jaar. De eerste verhalen worden geschreven door Phiny Dick, Toonders echtgenote, en getekend door Marten Toonder. Vrijwel gelijktijdig verschijnt Tom Poes ook in Zweden en in Tsjecho-Slowakije. Aanvankelijk is Tom Poes de hoofdfiguur in de strip. In het derde avontuur, ‘Tom Poes in de tovertuin’, stapt heer Olivier B. Bommel de verhalen binnen. Met uitzondering van het 17e avontuur wordt heer Bommel een vast karakter in de strips, en groeit na verloop van tijd uit tot de hoofdpersoon. De reeks dagstrips wordt daarom ook wel aangeduid met de naam ‘Bommelsaga’.

De avonturen van Tom Poes verschijnen zowel als dagstrip (gepubliceerd in diverse dagbladen, eerst in De Telegraaf, na de oorlog gedurende meer dan vier decennia in NRC Handelsblad en de Volkskrant, en in vele regionale dagbladen) en als weekstrip (in onder andere Ons Vrije Nederland, Donald Duck en Revue). In de dagstrip staan de teksten naast of onder de tekeningen, in de weekstrip zijn ze in tekstballonnen in de tekeningen opgenomen. De dagstrip geldt als het belangrijkste werk, en het immense volume (11.768 afleveringen, in totaal 177 verhalen, tot aan ‘Het einde van eindeloos’ in 1988) stelt het andere werk in de schaduw.

Naarmate de strip zich ontwikkelt en heer Bommel de hoofdrol gaat spelen, verandert de onderwerpkeuze van de verhalen. Waar de eerste verhalen draaiden om draken, reuzen en verborgen schatten, worden nu de eigenaardigheden van het menselijk bestaan op speelse wijze tot onderwerp van de verhalen gemaakt. Ambtenarij, het milieu, goede bedoelingen, kunst, omgaan met geld, wetenschap… steeds weer weet Toonder ons met milde humor een spiegel voor te houden. Het is aan de lezer om in het onderkoelde taalgebruik Toonders satirische visie te ontdekken, die vaak een filosofische, psychologische of anderszins tot nadenken stemmende ondertoon heeft.

Heer Bommel is de antiheld, die meestal in een poging zijn ego op te poetsen in moeilijkheden raakt, waarbij hij vaak lange tijd blind is voor de gevolgen van zijn handelen. Andere personages in de reeks verpersoonlijken vaak ook één of meer menselijke tekortkomingen; zo is professor Prlwytzkofski een wetenschapper die jammerlijk grote oogkleppen draagt, en Dorknoper de ambtenaar die diep onder zijn stoffige uiterlijk nog een restje gevoel over heeft, maar voor wie vooral de Regels tellen.

Wat de verhalenreeks vooral populair heeft gemaakt is Toonders taalgebruik. Bekend is dat een aantal begrippen via de Bommelstrip hun weg naar het alledaagse Nederlands hebben gevonden. Al in 1954 wordt Toonder opgenomen als lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde waarmee hij als literator wordt erkend.

Het besluit van uitgeverij De Bezige Bij om de verhalenreeks in paperbackformaat uit te geven blijkt een schot in de roos; het formaat past in de boekenkast tussen de ‘echte’ boeken, waardoor het literaire aspect wordt verhoogd. De tekeningen worden echter wel wat aan de kleine kant afgedrukt. De recente heruitgave door De Bezige Bij op oblong-formaat geeft de tekeningen de hernieuwde aandacht die ze verdienen. Eerder deed ook uitgeverij Panda dit in een zeer complete uitgave van de volledige werken.

De tijdloze thematiek, Toonders virtuoze taakgebruik en humor hebben de Bommelverhalen geliefd gemaakt bij een groot publiek. Sla een Bommelpocket open in een café, en de kans is groot dat iemand opmerkt: ‘Ah, Heer Bommel hè, ik heb ze allemaal gelezen’…